Aanpak van industrieel afval
Cementovens vergeleken met verbrandingsovens - Een milieuvergelijking


Inleiding Link naar de samenvatting

Sinds 1975 heeft de Europese Unie een uiterst volledige wetgeving inzake afvalbeheer ontwikkeld. In de kaderrichtlijn inzake afval (richtlijn 2006/12/CE) worden de algemene principes beschreven waarop de lidstaten hun nationaal afvalbeleid dienen te baseren.

Dat Europese kader steunt op een hiërarchisering van de afvalverwerkingsmethodes, met prioriteit voor de acties die bedoeld zijn om afval te voorkomen en hun schadelijk of gevaarlijk karakter te beperken.  

Afval dat niet kan worden voorkomen, moet worden gevaloriseerd. Valorisatie betekent dat het afval wordt ingeschakeld als secundaire grondstof door het te hergebruiken, door het te recycleren of door zijn materiële en/of energetische inhoud op een andere manier terug te winnen.

Als de valorisatie van afval om technische of economische redenen niet mogelijk is, dient men zijn toevlucht te nemen tot zogeheten eliminatietechnieken zoals opslag in centra voor technische ingraving of verbranding in gespecialiseerde installaties.

In tegenstelling tot de valorisatie biedt de eliminatie weinig of geen mogelijkheden om de natuurlijke hulpbronnen te sparen. De eliminatie heeft in de eerste plaats tot doel het afval te vernietigen op een manier die niet schadelijk is voor de menselijke gezondheid en het milieu.

Het doel van de hiërarchisering van de afvalverwerkingsmethodes bestaat erin voorrang te geven aan de operaties die het minst belastend zijn voor het milieu en de gezondheid van de mens en tegelijk de mogelijkheid bieden de natuurlijke rijkdommen te sparen. Hoewel de lidstaten zelf mogen bepalen hoe zij die hiërarchie vertalen in hun nationale wetgeving (subsidiariteitsbeginsel), zijn zij verplicht de aangehaalde principes te respecteren.

Op 22 december 2006 leidde een decreet van het Vlaamse Gewest tot onenigheid tussen het Vlaamse Gewest en de Belgische cementsector over de toepassing van die hiërarchie. Dat decreet stelde immers een identieke belasting in op de verbranding van afval (een vorm van eliminatie) en de gecombineerde verwerking van afval in cementovens (een vorm van valorisatie). 

In dat decreet stelde het Vlaamse Gewest dat deze twee verwerkingsmethodes een gelijkaardige impact op het milieu hadden en dat er dus geen enkele reden was om de ene methode voorrang te geven op de andere.

Dat argument wordt betwist door de Belgische cementsector, die een wetenschappelijke studie heeft besteld om beide partijen een gemeenschappelijke en objectieve basis te bezorgen voor een vergelijking van de milieueffecten van de afvalverbranding in Vlaanderen en de gecombineerde afvalverwerking in Belgische cementovens.

De studie is uitgevoerd door het Nederlandse onderzoeksbureau TNO, bijgestaan door een panel van specialisten uit de wetenschap, de cementindustrie en het Vlaamse Gewest, onder het voorzitterschap van het Waalse Gewest. Deze verklarende brochure is een nauwkeurige samenvatting van de TNO studie en werd samengesteld door de vzw GreenFacts op verzoek en onder toezicht van TNO. De bedoeling is de resultaten van deze studie ook toegankelijk te maken voor niet-specialisten.